Eindoordeel
Digitalisering krijgt bij NSC een prominente plaats met een eigen, samenhangende agenda; de prioriteit is hoog, maar politieke leercyclus en toegankelijkheids-/exitnormen vragen nog verankering.
NSC presenteert een serieuze, samenhangende digitale agenda die privacy, weerbaarheid, AI-kaders en open standaarden zichtbaar prioriteert, met sterke punten als het algoritmekader, één overheid naar de burger, en het terugdringen van strategische afhankelijkheden.
De grootste winst zit nog in het institutionaliseren van de leercirkel die Dwars door de Orde voorstaat: veranker PDCA, radicale openbaarheid en doorzettingsmacht (Algemene Informatiewet, CIO 3.0). Het formuleren van expliciete toegankelijkheids- en exit-normen, en voorschrijven van “test-en-leer” bij elke grote digitaliseringsingreep. Daarmee verschuift de ambitie van goede voornemens naar werkende kaders die meebewegen met de praktijk — precies de leercirkel die je terecht centraal wilt stellen.
Hieronder staat een compacte, leesbare beoordeling van het concept-verkiezingsprogramma van Nieuw Sociaal Contract (NSC) op digitalisering, langs het kader A t/m H. Ik leg de lat op visie, realisme en samenhang, spiegel expliciet aan inzichten uit Dwars door de orde (Zuurmond) en benoem zowel de pluspunten als de gaten. Het gehanteerde toetsingskader vind je hier.
A. Visie, rol van de politiek en de leercyclus
NSC erkent digitalisering als systeemopgave en wil meer centrale sturing: een Ministerie van Digitale Zaken en Staatsmodernisering, plus “één overheid” richting burgers en één digitaal portaal. Dat is duidelijke koers en kan verkokering doorbreken.
Wat nog mist is een expliciete leercyclus: hoe worden plannen consequent getest, gemeten en bijgestuurd (Plan-Do-Check-Act) en hoe landt geleerde praktijkkennis terug in beleid? Zuurmond benadrukt in Dwars door de Orde juist dat de overheid als geheel in PDCA moet leren werken en informatie “by design” over de keten moet organiseren, anders blijft het reactief en ad-hoc. Zijn aanbevelingen voor “radicale openbaarheid” en een Algemene Informatiewet zouden het politieke kader voor die leercyclus kunnen vormen; NSC verwijst daar niet naar, terwijl dit de sturingsmacht, samenhang en publieke verantwoording zou versterken.
B. Rechten, inclusie en toegankelijkheid
Hoofdstuk 12. ONZE DIGITALE OMGEVING zet privacy, geen surveillancestaat en digitale geletterdheid stevig neer. Er is aandacht voor fysieke kanalen naast het online portaal — essentieel om niemand uit te sluiten. Ook vraagt NSC om sterke handhaving door de AP en verbiedt gezichtsherkenning in de openbare ruimte: dat is heldere normstelling.
Wat ontbreekt is een expliciete toegankelijkheidsnorm (zoals WCAG) en meetbare eisen aan begrijpelijkheid, UX en meertaligheid van overheidstoepassingen. Als “één portaal” het front-door wordt, hoort daar “toegankelijkheid-by-default” bij — als politiek kader, niet als uitvoeringsdetail. (Hier kan het programma strakker worden zonder te vervallen in technische oplossingen.)
C. Informatiehuishouding, publieke data en privacy-by-design
Sterk: NSC wil open standaarden en generieke infrastructuur, een ‘once-only’ principe (bronhouderschap) en betere archivering/Woo-uitvoering met sancties. Dat is precies de kant die ook MIA en Zuurmond schetst: organiseren bij de bron en privacy, openbaarheid en archivering by design.
Twijfel: de persoonlijke datakluis als oplossingsrichting. Dat kan, maar is pas zinvol als het stelsel eromheen juridisch en technisch klopt; anders verplaatst het complexiteit en risico’s naar burgers. Beter is eerst het systeem op orde (bronregistraties, datakwaliteit, logging, transparantie) en dán pas kluis-varianten als optie.
D. AI en geautomatiseerde besluitvorming
Hier is NSC opvallend concreet: een verplichte wetenschappelijke standaard voor modellen en algoritmen, verplichte opname in het algoritmeregister, periodieke toetsen op bias en toepassingsbereik. Dit is precies het soort kader dat we in de praktijk misten. De mix van verboden (gezichtsherkenning in publieke ruimte), watermerk-plichten en snelle verwijdering van deepfakes is scherp en beschermend.
Wat verder kan: veranker responsief bestuursrecht rond AI-besluiten (uitleg, hoor- en wederhoor, menselijke toets, herstel bij schade) zodat burgerrechten niet vastlopen in een “virtuele vesting”. Het programma suggereert dit impliciet, maar een expliciet juridisch kader maakt het toetsbaar en handhaafbaar.
E. Veiligheid en weerbaarheid (maatschappijbreed)
NSC adresseert cyberweerbaarheid stevig: snelle implementatie van EU-kaders, een centrale cyberautoriteit, bescherming vitale infrastructuur, verbod op “kill switches”, offline fallback voor zeer gevoelige data. Dit is realistisch en gaat breder dan overheid alleen.
Aandachtspunt: “lokale opslag” als default klinkt soeverein, maar kan beschikbaarheid en innovatie schaden als het te absolutistisch wordt. Kader het als risicogestuurde eis (dataklassen, locaties, exit-scenario’s) en test het in oefeningen — precies de “test-en-leer” benadering die Zuurmond bepleit.
F. Macht, afhankelijkheden en soevereiniteit
NSC kiest duidelijk positie tegen eenzijdige afhankelijkheid van Amerikaanse clouds en steunt Europese alternatieven (EuroStack), plus investeert in een Nederlandse AI-faciliteit/GPT-NL. Dat is consistent met Zuurmonds waarschuwing dat big-tech-afhankelijkheid onze democratische weerbaarheid raakt.
Kritiek: dit vraagt harde keuzes over kosten, lock-in en interoperabiliteit. Politiek kader hoort daarom “open standaarden + exit-recht + portabiliteit + open source” expliciet te verankeren in aanbestedingen. Nu staat “open standaarden” wel genoemd, maar de combinatie met exit-verplichtingen en nalevingstoetsen mag scherper om te voorkomen dat “Europees” simpelweg “nieuw lock-in” wordt.
G. Openheid, standaarden en ontwerpprincipes
Pluspunten: open standaarden, Woo-handhaving en een algoritmeregister leveren publieke controlepunten op.
Verbetering: maak als politiek werk van het ontwerpprincipe “open, tenzij” (open source/ open specificaties waar mogelijk), en “transparant, tenzij door risico onderbouwd”. Dat houdt de visie bij kaders (geen tools voorschrijven), en dwingt in uitvoering tot herbruikbare, toetsbare oplossingen en betere marktwerking.
H. Uitvoerbaarheid, toezicht en adaptiviteit
Een Bureau voor Technologie bij de Kamer, versterking van de AP en meer regie zijn goede systeemkleppen.
Om het ook te laten werken mist nog twee zaken uit Dwars door de orde:
- Versterk de CIO-functie (CIO Rijk 3.0) met doorzettingsmacht op architectuur, data en kwaliteit over departementen heen; anders wint de verkokering alsnog.
- Verplicht een lerende uitvoeringsfase bij grote digitale maatregelen: klein beginnen, meten, openbaar rapporteren, bijsturen of stoppen.
Dat voorkomt symboolpolitiek en sluit aan bij het door Zuurmond gevraagde onderzoekend, experimenteel werken.
Financiering
NSC schetst wél enkele geldsporen voor de bredere tech-economie (o.a. een Nationale Investeringsbank voor sleuteltechnologieën als chips/AI/biotech en steun voor een AI-fabriek in Groningen; vasthouden aan 3% bbp voor R&D), en benadrukt “betrouwbare begrotingen” via realistisch ramen en sterkere Rekenkamer. Maar voor de digitale overheid zelf (openbaarheid-by-design, algoritmeregister, toegankelijkheid, toezicht/handhaving en ketenweerbaarheid) ontbreekt een concreet kostenplaatje, dekking en meerjarige fasering. De macro-instrumenten zijn hoopgevend; de uitvoeringskant van digitalisering vraagt echter om expliciete budgetten (inclusief toezichtscapaciteit) en heldere prioritering per jaar.
Zie ook: